Geachte heer, mevrouw,

Reclame Code Commissie in het nieuws over artikel 11.2 NRC
Afgelopen week kreeg een uitspraak van de Reclame Code Commissie aandacht in de media waarin het optreden van Maurice de Hond in een reclame in strijd met artikel 11 lid 2 NRC werd bevonden. De adverteerder is tegen de beslissing van de Commissie in beroep gegaan. Op 24 augustus a.s. zal het College van Beroep de zaak behandelen. Omdat de beslissing nog niet definitief is, heb ik alle vragen van de pers terughoudend beantwoord. Ik zou mij in mijn woordvoerderschap moeten beperken tot oude uitspraken. Om die reden heb ik er de voorkeur aangegeven mij nu op de vlakte te houden, maar om na de uitspraak van het College van Beroep in een persbericht wat uitgebreider op dit onderwerp in te gaan in de hoop op een evenwichtiger verslaggeving over dit onderwerp in de redactionele colommen.

Nieuwe SRC website
U zult zien dat onze website vernieuwd is. Er zijn als het ware twee websites: één voor de adverteerder en één voor de consument. Door deze nieuwe structuur beogen wij beiden op een efficiënte wijze te voorzien van informatie die voor hen relevant is.

Prisca Ancion-Kors, Directeur SRC

De RCC in actie


Met dank aan Bert Lagerweij, Secretaris Reclame Code Commissie

Reeds gepubliceerde berichten en uitspraken
Sinds de nieuwsbrief van juni zijn op de website reeds diverse nieuwsberichten over zaken van de Reclame Code Commissie verschenen. Het betreft de volgende zaken:

Spoeduitspraak tussen twee internetproviders
Adverteerder zegt in radiocommercials dat hij de snelheid verhoogt “tot maar liefst 50 Mb”. Een andere internetprovider maakt hiertegen bezwaar, omdat de mededeling onvoldoende genuanceerd is. De Reclame Code Commissie heeft nog op de dag van de mondelinge behandeling een schriftelijke beslissing gegeven. 

De Commissie stelt voorop dat niet is gesteld of gebleken dat de uiting slechts wordt uitgezonden op tijden of rondom programma’s waarop slechts consumenten die meer dan gemiddeld kennis hebben van de techniek van het internet daarvan kennis zullen nemen. De uiting richt zich juist tot de gewone consument. Voor de toelaatbaarheid van de uiting zal daarom moeten worden nagegaan hoe de gemiddelde, normaal geïnformeerde omzichtig handelende en oplettende consument de uiting zal (kunnen) begrijpen.

De Commissie acht het, gelet op het woord ‘verhoogt’ in combinatie met het woord ‘tot' in de bewuste uitingen, onvoldoende duidelijk dat de verhoging naar 50Mb slechts geldt voor één van de abonnementen van adverteerder. Op basis van de gewraakte mededeling zal de gemiddelde consument veronderstellen dat de beloofde verhoging tot 50 MB in ieder geval voor meer, mogelijk zelfs voor alle internetabonnementen van adverteerder geldt. Om die reden is de Commissie van oordeel dat de uiting onvoldoende duidelijk, dan wel onvolledig is.

Klacht tegen website over ziektemeting afgewezen
De eigenaar van de website houdt via internet een epidemiologisch onderzoek naar de verspreiding van een virus. Op de website worden sponsors genoemd, maar de verweerder stelt dat hij onafhankelijk van deze sponsors handelt. De Reclame Code Commissie moet de vraag beantwoorden of de inhoud van de website als een reclame-uiting moet worden beschouwd.

De Commissie beantwoordt deze vraag in positieve zin en overweegt daartoe het volgende. De website wordt onder meer gesponsord door farmaceutische bedrijven, wiens namen als zodanig op de website zijn vermeld. Beide bedrijven brengen een vaccin op de markt en door als sponsoren hun naam aan de website te verbinden, zal door de vermelding van hun naam op de website hun (naams)bekendheid als producent van griepvaccins worden vergroot. Gelet op het vorenstaande heeft de website een wervend karakter ten aanzien van beide bedrijven en is de Commissie dientengevolge bevoegd de uiting te toetsen aan de NRC. Het enkele feit dat de meting voor de sponsoren interessante informatie kan opleveren, biedt geen grondslag voor twijfel over de onafhankelijkheid van de inhoud van de website. Dat een sponsor als hoofdsponsor op de website wordt vermeld, duidt erop dat deze sponsor een aanmerkelijke financiële bijdrage heeft geleverd, maar ook dit is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat deze sponsor invloed op de inhoud van de website heeft (gehad). Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de mededeling dat de website onafhankelijk is in strijd is met de waarheid.

Medische claims
In een uitgave van een blad dat huis-aan-huis wordt verspreid, staan advertenties die volgens klager verboden medische claims bevatten. Ook maakt klager bezwaar tegen mededelingen in redactioneel artikelen, omdat deze betrekking zouden hebben op producten van adverteerder. Klager acht hiervoor ook de uitgever verantwoordelijk. In een uitvoerige beslissing gaat de Commissie op alle – deels principiële - klachten en verweren in. 

De Commissie oordeelt dat ten aanzien van een aantal producten wordt beweerd dat het gebruik daarvan leidt tot een positieve verandering van de fysieke gezondheidstoestand. Naar het oordeel van de Commissie zijn dergelijke claims niet toegestaan op grond van artikel 20 lid 2 aanhef en onder a van de Warenwet. Ingevolge deze bepaling is het verboden eet- of drinkwaar aan te prijzen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen, die aan de waar eigenschappen toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte of die toespelingen maken op zodanige eigenschappen. Op grond van dezelfde overwegingen is de Commissie van oordeel dat de producten op zodanige wijze worden aanbevolen, dat deze dienen te worden aangemerkt als een geneesmiddel in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van de Geneesmiddelenwet. Op grond van artikel 84 van de Geneesmiddelenwet is het verboden om reclame te maken voor geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend. Daardoor is artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code geschonden.

In de beslissing geeft de Reclame Code Commissie voorts uitleg aan artikel 12 sub c van de Europese Verordening inzake voeding- en gezondheidsclaims. De Commissie oordeelt dat in enige mate duidelijk dient te zijn van welke specifieke arts of beroepsoefenaar de aanbeveling of het advies afkomstig is, dit mede omdat aan het oordeel van een herkenbare persoon meer gezag toekomt dan aan het oordeel van een willekeurige onbekende. Gelet hierop dient de verwijzing naar het advies van “een deskundige”, onvoldoende specifiek te worden geacht om te vallen onder de reikwijdte van het verbod van artikel 12 aanhef en onder c van genoemde Verordening.
Ten aanzien van één redactioneel artikel waarover is geklaagd zal de gemiddelde lezer een onmiskenbare samenhang zien tussen het artikel en de advertentie van adverteerder die direct onder het artikel staat. Gelet op de redactioneel ogende opmaak van de onderhavige reclame is deze niet als zodanig herkenbaar en daardoor misleidend in de zin van artikel 8.5 van de Nederlandse Reclame Code in verbinding met punt 10 van de bij artikel 8.5 behorende bijlage 1. Dit impliceert dat de reclame-uiting tevens oneerlijk is in de zin van artikel 7 Nederlandse Reclame Code. Voorts volgt uit de overweging dat de reclame onvoldoende herkenbaar is. Voorts bevat de reclame verboden medische claims. Adverteerder is in beroep gegaan. 

Mededelingsplicht in de uitvaartbranche
Een uitvaartverzorger maakt in een dagblad reclame en zegt dat hij daarbij elke uitvaart verzorgt, ongeacht de verzekering. Een andere uitvaartverzorger acht deze mededeling misleidend, omdat bij een naturaverzekering nadelige consequenties kunnen zijn verbonden aan het kiezen van een andere uitvaartverzorger. De Reclame Code Commissie dient te oordelen over de vraag of reeds in een advertentie op deze consequenties moet worden gewezen.

Uitgangspunt is dat een reclame-uiting aan de gemiddelde consument de informatie dient te verschaffen die hij nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen. Anders dan klager is de Commissie van oordeel dat deze informatieverplichting niet zo ver reikt, dat in een advertentie als de onderhavige ook informatie moet worden opgenomen over de financiële consequenties die bij een naturaverzekering kunnen zijn verbonden aan de keuze voor een zelfstandige, niet aan de verzekeraar gelieerde uitvaartonderneming. Een dusdanig ruime informatieverplichting gaat het kader van een juiste voorlichting van een consument als bedoeld in de Nederlandse Reclame Code te buiten en zou bovendien indruisen tegen de blijkbaar algemeen aanvaarde handelspraktijk dat uitvaartondernemingen op de krantenpagina met familieberichten kleine en bondig geformuleerde advertenties plaatsen. 

Gewonnen loterijprijs op nep bankafschrift
Adverteerder heeft in het kader van een reclamecampagne mailings verzonden. In de envelop bevindt zich een op een bankafschrift lijkend papier met daarop de naam en het adres van de ontvanger. Op dat papier (verder: het afschrift) staat geel gemarkeerd dat men € 500.000 heeft ontvangen als loterijprijs en de tekst “hartelijk gefeliciteerd met uw prijs.” Op het afschrift staat voorts het woord “specimen”. Bij het afschrift is een begeleidende brief gevoegd waarin adverteerder onder de kop “Het zal je maar gebeuren…” de actie toelicht en de geadresseerde wijst op de mogelijkheid om extra loten te kopen. 

Naar het oordeel van de Commissie is voldoende duidelijk dat de mailing een ludieke actie betreft. Dat het afschrift de indruk wekt dat de ontvanger een grote prijs heeft gewonnen, is onderdeel van het ludieke karakter van de uiting. In werkelijkheid is geen sprake van een banktransactie. Hierover kan naar het oordeel van de Commissie bij de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument die in zaken als de onderhavige als maatstaf geldt, geen misverstand bestaan. Het kleurgebruik op de envelop en het afschrift wijkt wezenlijk af van dat van de in Nederland actieve banken. De bijschrijving van het bedrag van € 500.000,-- is opvallend geel gemarkeerd, hetgeen bij bankafschriften niet gebruikelijk is te achten. Voorts staat op het afschrift het woord “specimen”. Dat het afschrift niet serieus moet worden genomen, blijkt ook uit het feit dat op het afschrift onder de bijschrijving van het bedrag van € 500.000,-- een spoedopdracht staat voor een nieuwe auto ter waarde van € 55.450,--. Aangenomen mag worden dat de ontvanger weet dat hij geen spoedopdracht heeft gegeven. Uit de begeleidende brief blijkt ten slotte duidelijk dat het om een reclame-uiting van adverteerder gaat. De mailing kan op grond van het voorgaande niet misleidend worden geacht.

Bericht over de postbezorging door andere postbedrijven
In een brief die algemeen is verspreid geeft adverteerder een toelichting op de gevolgen van het feit dat sinds 1 april ook andere bedrijven brieven, facturen en bankafschriften mogen bezorgen. In de brief staat onder meer dat dit ertoe kan leiden dat men langer op de post dient te wachten of deze mogelijk zelfs in het ergste geval niet ontvangt.

Adverteerder stelt dat uit onafhankelijke onderzoeken blijkt dat postbedrijf x na één week slechts 87,9% van de poststukken heeft bezorgd en y 84%. Na vier weken zijn de percentages respectievelijk 93% en 92,7%. Adverteerder stelt voorts dat uit onderzoek blijkt dat bij hem 96,6% van de post de volgende dag wordt bezorgd en in 99,7% van de gevallen op het juiste adres. De Commissie heeft, mede gelet op het feit dat klager niet op deze stellingen van adverteerder heeft gereageerd, geen aanleiding om aan de juistheid van deze percentages te twijfelen. De Commissie acht het op grond daarvan voldoende aannemelijk dat het percentage bezorgde post bij adverteerder duidelijk hoger is dan de voor x en y genoemde percentages van 93% respectievelijk 92,7%.

Tegen deze achtergrond kan het niet misleidend worden geacht dat adverteerder in de brief wijst op de mogelijkheid dat men “in het ergste geval” geen post ontvangt indien de verzender voor x en y heeft gekozen. Uit het voorgaande blijkt immers dat dit risico bij deze postbedrijven wezenlijk groter is dan bij adverteerder. Mede gelet hierop kan ook niet worden gezegd dat adverteerder door die mededeling de goede naam van die andere postbedrijven schaadt of zich over hen kleinerend uitlaat in de zin van artikel 13 aanhef en onder e Nederlandse Reclame Code. Dit geldt ook voor zover adverteerder in de brief zinspeelt op de mogelijkheid dat men wordt geconfronteerd met een deurwaarder indien de verzender voor een ander postbedrijf kiest. Deze mededeling sluit aan bij hetgeen in de brief - blijkens het voorgaande: terecht - wordt gezegd over de grotere kans dat men een bepaald poststuk niet ontvangt indien de verzender voor een ander postbedrijf kiest, en onderstreept dit laatste op voor de consument duidelijk overdreven wijze. De mededeling is ten slotte niet van dien aard dat deze zonder te rechtvaardigen redenen appelleert aan gevoelens van angst. De klacht wordt afgewezen.

In beroep bij het College


Met dank aan Judith Borret-Bouritius, Secretaris College van Beroep

In juni/juli 2009 oordeelde het College van Beroep onder meer als volgt:

Televisiereclame van Menzis over wachttijd ziekenhuis in geval van knobbeltje in de borst niet ontoelaatbaar
Het College bevestigde een beslissing van de Commissie, waarbij de Commissie een klacht van het Integraal Kankercentrum Noord-Oost te Groningen, onder meer inhoudende dat de bewuste reclame misleidend zou zijn en zou appelleren aan gevoelens van angst, had afgewezen.

Het College heeft onder meer overwogen:

“5.2.
In de gewraakte uiting wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid om, na het ontdekken van een knobbeltje in de borst, binnen 3 werkdagen een ziekenhuis te bezoeken, en wel via bemiddeling door Menzis. Tussen partijen is niet in geschil dat Menzis in zodanige bemiddeling voorziet.
Ter aanprijzing hiervan wordt in de gewraakte reclame aangeknoopt bij het individuele geval van “Brigitte Bakker”, die pas over twee weken terecht “kon” in het ziekenhuis. IKNO heeft niet weerspoken dat het voorkomt dat patiënten met een knobbeltje in de borst twee weken moeten wachten, voordat zij in het ziekenhuis terecht kunnen. Meer in het bijzonder heeft de Commissie geoordeeld dat er op dit moment nog een reële mogelijkheid bestaat dat een persoon met een knobbeltje in de borst veertien dagen moet wachten voor een eerste consult in het ziekenhuis en heeft IKNO dat oordeel in hoger beroep niet bestreden.
Niet kan worden geoordeeld dat in de uiting de suggestie besloten ligt dat een wachttijd van twee weken gebruikelijk of gemiddeld zou zijn. In de reclame wordt duidelijk een voorbeeld gegeven.
Gelet op het bovenstaande kan niet worden geoordeeld dat in de uiting onjuiste informatie wordt gegeven als bedoeld in artikel 8.2 NRC.

5.3.
In grief III stelt IKNO dat in de reclame niet wordt gewezen op “de beperkte geldigheid van de gebruikte statistieken (gegevens over toegangstijd)” en dat “het gegeven” “dat de wachttijd al snel twee weken bedraagt”, sterk aan verandering onderhevig is.
Zoals hiervoor overwogen, betreft de in de uiting genoemde wachttijd van twee weken duidelijk een voorbeeld. Niet kan worden geoordeeld dat deze vermelding duidt op het gebruik van statistieken. Reeds daarom kan grief III niet slagen.

5.4.
Van de wijze waarop Menzis de kijker attendeert op de door haar gemaakte “speciale afspraken met ziekenhuizen”, waardoor men, in geval van een knobbeltje in de borst, binnen drie werkdagen in een ziekenhuis terecht kan, kan niet worden geoordeeld dat daardoor wordt geappelleerd aan gevoelens van angst. Zoals hiervoor overwogen, ligt in de uiting niet de suggestie besloten dat een wachttijd van twee weken gebruikelijk zou zijn. Afgezien van het ene, desbetreffende voorbeeld laat Menzis zich in de gewraakte reclame niet uit over de wachttijd zoals die geldt, wanneer men geen gebruik maakt van de regeling van Menzis. In het midden blijft of anders dan via Menzis ook een kortere wachttijd kan worden gerealiseerd.
Aan het bovenstaande doet niet af dat de bewuste televisiereclame betrekking heeft op een onderwerp, het ontdekken van een knobbeltje in de borst, dat onmiskenbaar gevoelens van angst en/of onzekerheid kan veroorzaken”. 

Reclame Nutricia niet in strijd met Reclamecode voor voedingsmiddelen (RVV)
Het College vernietigde een beslissing van de Commissie waarbij een advertentie voor Olvarit Peuter menu in strijd met artikel 1 RVV werd bevonden. In de advertentie stond -samengevat- dat met de pot mee-eten voor peuters niet altijd verstandig is. 

Naar het oordeel van de Commissie had Nutricia onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een peuter door met de pot mee te eten vaak niet de bouwstoffen binnenkrijgt die voor een gezonde ontwikkeling nodig zijn.

Het College heeft overwogen:

“4.1.
Het College stelt voorop dat in de gewraakte advertentie wordt gesteld dat met de pot mee-eten “niet altijd” verstandig is en dat deze stelling in de advertentie nader wordt toegelicht. In deze stelling en toelichting ligt naar het oordeel van het College niet de suggestie besloten dat peuters nooit ‘met de pot mee’ zouden kunnen eten.

4.2.
Anders dan in eerste aanleg heeft Nutricia in hoger beroep publicaties overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat met de pot mee-eten niet altijd verstandig is. Nutricia heeft verwezen naar passages in die publicaties waarin sprake is van enerzijds een gemiddelde inname door peuters van zowel ijzer als vet, die lager is dan de door het Voedingscentrum aanbevolen hoeveelheid en anderzijds een gemiddelde inname door peuters van zowel eiwit als van calcium, die hoger is dan de door het Voedingscentrum aanbevolen hoeveelheid.
Aldus heeft Nutricia de juistheid van de stelling, dat met de pot mee-eten niet altijd verstandig is, voldoende aannemelijk gemaakt.

4.3.
Geïntimeerde stelt dat indien ouders maaltijden zouden bereiden op basis van de “richtlijnen gezonde voeding” het kind alle benodigde voedingsstoffen zou verkrijgen en beroept zich in dit verband op paragraaf 4.7.1 van de als bijlage 3 bij het beroepschrift overgelegde publicatie “Voedingsadvisering bij jonge kinderen”.
Deze stelling doet niet aan het oordeel van het College af.
In voornoemde paragraaf staat, voor zover hier van belang:
“Vanaf de leeftijd van één jaar kan het kind in principe met de andere leden van het gezin mee-eten. Een gevarieerde voeding op basis van de Richtlijnen goede voeding voorziet dan in de behoefte aan alle voedingsstoffen, met uitzondering van vitamine D. Met het gezin mee-eten kan een positieve bijdrage leveren aan het aanleren van een gezond eetgedrag”. Duidelijk is dat hier wordt uitgegaan van de situatie dat de voeding voldoet aan de Richtlijnen goede voeding, terwijl niet vast staat dat dit altijd het geval is bij het begrip “met de pot mee-eten”, zoals dat in de gewraakte advertentie is gebruikt”.


Reclame Nationale Handelsacademie B.V. (NHA) misleidend en ALERT
Het College bevestigde een beslissing van de Commissie dat twee folders van NHA misleidend zijn. In de bewuste folders van augustus 2008 en januari 2009 stond onder meer:

“75 jaar Jubileum acties
Voor alle cursussen
50- 70% jubileum-korting”.

Het College oordeelde:
“Ten aanzien van de verschillende grieven overweegt het College het volgende.

Ad I.
Op de voorpagina’s van beide gewraakte folders staat:
“75 jaar jubileum”, “jubileum acties voor alle cursussen” en “50-70% jubileum-korting”. Voorts staat -tenminste- op pagina 2 van de folder van januari 2009, van welke folder door NHA een exemplaar is overgelegd aan de Commissie, direct onder het kopje “NHA 75 jaar”:
“Dankzij het 75-jarig jubileum profiteert u bij de NHA van 50-70% korting”.
Bovenstaande mededelingen wekken de indruk dat de bewuste jubileumkorting verband houdt met het 75 jarig bestaan van NHA en dat deze korting van tijdelijke aard is. Echter, naar NHA in beroep heeft meegedeeld, zijn de prijzen van NHA structureel in plaats van incidenteel laag, heeft NHA bedoeld in de gewraakte reclame tot uitdrukking te brengen dat zij een prijsvechter is en laat NHA met de in de folders opgenomen “doorstreepprijzen” zien wat naar haar oordeel redelijke commerciële tarieven voor de desbetreffende cursussen zijn.
Naar het oordeel van het College valt hetgeen NHA hier stelt voor de gemiddelde consument niet, althans onvoldoende uit de gewraakte uitingen op te maken.
Gelet op het bovenstaande deelt het College het oordeel van de Commissie dat deze reclame misleidend en daardoor oneerlijk is in de zin van artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code.
De resultaten van de door NHA overgelegde “NHA Foldertest Juni 2009”, in de samenvatting van welke test onder meer staat dat “een zeer kleine groep” van de ondervraagden de indruk heeft dat de aanbiedingen van NHA slechts tijdelijk beschikbaar zijn, leiden niet tot een ander oordeel.

Ad II.
Aangezien de Commissie en het College van Beroep NHA in 2008 al hebben aanbevolen om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken en NHA, blijkens de thans gewraakte uitingen, geen gevolg heeft gegeven aan die aanbeveling, heeft de Commissie terecht besloten om een openbare aanbeveling te doen”.

Abonnementen database


Alle uitspraken van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep vanaf 1 januari 2004 tot en met de meest recente zijn beschikbaar in een de uitsprakendatabase op onze website. De uitspraken kunnen van dienst zijn bij nieuw te ontwikkelen campagnes of kunnen gebruikt worden om een mogelijke zaak voor de rechter te onderbouwen. Hier vindt u uitleg over de diverse abonnementmogelijkheden, waaronder een abonnement op het SRC e-mail alert systeem, waardoor u direct weet welke uitspraken de RCC en/of het CvB hebben gedaan m.b.t. een specifiek onderwerp.

Monitoring & Compliance Service


Door Fabian Bloem, Monitoring & Compliance Coördinator

De kernactiviteit van de afdeling Monitoring & Compliance is vast te stellen of adverteerders gevolg geven aan de door de Reclame Code Commissie en/of het College van Beroep geconstateerde overtredingen van de Nederlandse Reclame Code.

Hieronder volgt een overzicht van de afgelopen drie maanden waarin wordt aangegeven in hoeveel dossiers de Reclame Code Commissie en het College van Beroep een reclame-uiting hebben veroordeeld en in welke dossiers adverteerders (nog) geen gevolg hebben gegeven aan de uitspraak. Deze adverteerders zijn opgenomen in de rubriek Het Rode Oor.

Adverteerders die hier worden vermeld, kunnen altijd contact opnemen met de M&C Service wanneer zij bereid zijn alsnog gevolg te geven aan de beslissing van de RCC of het CvB. Verwijdering uit deze rubriek kan dan plaatsvinden. 

grafiek1


Op het moment van verzending van de juni nieuwsbrief waren er bij het College van Beroep nog 9 dossiers in behandeling en had het CvB 2 zaken terugverwezen naar de Reclame Code Commissie. Dit leidde tot 7 aanbevelingen en 3 afwijzingen. 1 dossier (2009/00027) is nog in behandeling. Alle 7 adverteerders hebben gevolg gegeven aan de aanbeveling en zijn dus als compliant geregistreerd. 


grafiek2

In de periode mei tot en met juli heeft de (voorzitter van de) Reclame Code Commissie in 79 dossiers een overtreding van de Nederlandse Reclame Code vastgesteld. In 11 zaken daarvan werd overtreding geconstateerd door de Voorzitter (Vab). In 4 van de 79 zaken werd een ALERT gegeven. En van het totaal aantal dossiers werd 13 keer beroep ingesteld bij het College van Beroep.

*Een ALERT betekent dat de Reclame Code Commissie ervoor zorgt dat de uitspraak onder de aandacht wordt gebracht van een zo een breed mogelijk publiek.


grafiek3

Tot op heden heeft 1 adverteerder (nog) geen gehoor gegeven aan de beslissing van de Reclame Code Commissie en is om die reden als ‘non-compliant’ geregistreerd. 11 zaken zijn nog lopend.


grafiek4

In 1 geval was het College het eens met de RCC. De betreffende adverteerder heeft gevolg gegeven aan de aanbeveling (compliant). In 12 zaken staat nog niet definitief vast of de NRC is overtreden (nog in behandeling).

Internationaal


Ook op internationaal vlak vinden er vele ontwikkelingen plaats op het terrein van zelfregulering bij reclame.

Wereldwijde principes voor zelfregulering bij online gedragsgericht adverteren
De World Federation of Advertisers (WFA) heeft wereldwijde beginselen voor zelfregulering bij online gedragsgericht adverteren aangenomen. De beginselen vormen de basis waarop het adverterend bedrijfsleven samenwerkt om het nationale zelfreguleringssysteem bij online behavioural advertising te ontwikkelen.

Er is vaker gebleken dat er enigszins onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de Nederlandse Reclame Code en of deze ook van toepassing is op “digitale” reclame. Daarover kunnen we kort zijn: De Nederlandse Reclame Code is van toepassing op alle moderne communicatiedragers. De inhoud van de NRC is dan ook van toepassing op websites, banners, reclame per email, kortom op online advertising.

Nieuw bij SRC

Op 30 juni jl. is mr. Remke Westerhof aangetreden als secretaris voor de Reclame Code Commissie. Remke werkte hiervoor onder meer bij het Commissariaat voor de Media op de afdeling juridische zaken.







Agenda

3 september
EASA Executive Board meeting te Brussel

3 & 24 september
SRC bestuursvergadering

25 aug. & 3/15/22 sept. & 1 okt.
RCC zittingen

17/24 aug. & 21 sept.
CvB zitting