a a a
 

Uitspraken

Alle uitspraken van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep vanaf 2007 vindt u hier.

Dossiernr:

2009/00881

Datum:

13-07-2010

Uitspraak:

Bevestiging Beslissing RCC

Product/dienst:

Overige

Motivatie:

Misleiding (overig)

Medium:

Radio

 

De procedure

 

Klager heeft bij brief van 10 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen een reclame-uiting van adverteerder. Bij faxberichten van 14 en 19 oktober 2009 heeft klager zijn klacht nader toegelicht en/of aangevuld.

De voorzitter van de Reclame Code Commissie (hierna: de Commissie) heeft bij brief van 23 december 2009 beslist om de klacht terzijde te leggen.

Hiertegen heeft klager bij faxbericht van 4 januari 2010 bezwaar gemaakt. Bij faxberichten van 12, 14, 18, 22 en 29 januari 2010 heeft klager zijn bezwaar nader aangevuld en/of toegelicht.

Adverteerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd bij brief van 10 februari 2010.

 

De Reclame Code Commissie (hierna: de Commissie) heeft de klacht behandeld in

haar vergadering van 2 maart 2010.

Klager was ter vergadering aanwezig om zijn standpunt nader toe te lichten. Namens adverteerder waren mr. H.J. Bolte en mr. H. Hardick aanwezig om de zaak nader toe te lichten.

     

De bestreden reclame-uiting

 

Het betreft de slogan “Meer mogelijk maken” in combinatie met de naam “ABN AMRO”, zoals deze wordt gebruikt in verschillende uitingen van adverteerder op radio, televisie en in drukwerk.

 

De klacht

 

De Commissie vat de klacht, zoals deze volgt uit de brief en faxberichten van klager van 10, 14 en 19 oktober 2009, als volgt samen.

 

Klager stelt gemotiveerd dat adverteerder voor hem de afgelopen jaren op verschillende punten juist steeds minder mogelijk heeft gemaakt. Om die reden acht klager de bewuste mededeling misleidend.

 

De beslissing tot terzijdelegging

 

De voorzitter oordeelde, samengevat, dat het feit dat zich in de loop der jaren wijzigingen hebben voorgedaan met betrekking tot de dienstverlening van adverteerder, niet meebrengt dat de bewuste slogan in het algemeen als misleidend kan worden aangemerkt.

 

Het bezwaar tegen de terzijdelegging

 

In zijn faxberichten van 4, 14 en 22 januari 2010 maakt klager bezwaar tegen de terzijdelegging en vult hij zijn klacht aan. Voor zover van belang voor de beslissing zal in het oordeel nader op de inhoud van deze brieven worden ingegaan.

 

Het verweer

 

Het verweer luidt, samengevat, als volgt.

 

Adverteerder stelt dat, voor zover de klacht betrekking heeft op de dienstverlening van ABN AMRO bank, de Commissie niet de instantie is die hierover dient te oordelen. Adverteerder verwijst klager naar het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening.

 

De bewuste slogan wordt door ABN AMRO wereldwijd gebruikt en dient uitsluitend ter ondersteuning van de bekendheid en goodwill van de merken van ABN AMRO in het algemeen. De bedoeling van de slogan is niet om de consument te bewegen tot de aankoop van een specifiek product. Daarenboven bevat de slogan uitsluitend elementen die zich lenen voor subjectieve waardering.

 

Gelet op het voorgaande is de slogan naar de mening van adverteerder niet misleidend, oneerlijk of onjuist.

 

De mondelinge behandeling

 

Klager en adverteerder lichten hun standpunt nader toe. Voor zover van belang voor deze beslissing wordt op hetgeen ter vergadering door partijen naar voren is gebracht in het oordeel ingegaan.

 

Het oordeel van de Commissie

 

Klager geeft in zijn brieven gemotiveerd weer dat hij heeft ervaren dat ABN AMRO voor hem juist minder mogelijk heeft gemaakt. Gelet hierop acht klager de slogan ‘Meer mogelijk maken’, in combinatie met de naam ABN AMRO misleidend. De Commissie acht deze slogan echter van dermate algemene strekking dat van misleidende reclame in de zin van artikel 8 NRC geen sprake kan zijn. De gemiddelde consument zal, naar het oordeel van de Commissie, in deze slogan geen concrete toezegging of belofte lezen met betrekking tot de specifieke diensten die adverteerder aan een individuele klant levert.

 

Voorts is de Commissie van oordeel dat, nu in de bewuste reclame geen concurrent of door een concurrent aangeboden goederen of diensten worden genoemd, geen sprake is van vergelijkende reclame in de zin van artikel 13 NRC. Van ongeoorloofde vergelijkende reclame in de zin van artikel 13 sub c, zoals door klager ter vergadering gesteld, kan derhalve geen sprake zijn. De reclame is evenmin van dien aard dat deze, naar klager eveneens ter vergadering stelde, in strijd kan worden geacht met de waarheid (artikel 2 NRC) of met het algemeen belang (artikel 3) of dat deze het vertrouwen in reclame schaadt (artikel 5 NRC).

 

Gelet op het voorgaande beslist de Commissie als volgt.

 

De beslissing van de Commissie van 31 maart 2010

 

De Commissie bevestigt de beslissing van de voorzitter.

 

 

 

Het College van Beroep

 

De grieven

           

Deze kunnen als volgt worden samengevat. 

 

Grief 1

Er heeft geen eerlijk proces plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Verdrag ter bescherming van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamen­tele vrijheden (EVRM), nu:

– niet of niet binnen een redelijke termijn informatieverzoeken van appellant zijn beantwoord,

– de voorzitter van de Commissie mogelijk niet alle stukken heeft gelezen,

– geen deadlines voor het indienen van stukken zijn bekendgemaakt,

– niet bekend gemaakt is hoeveel spreektijd beschikbaar was en in welke volgorde,

– appellant onvoldoende spreektijd had,

– appellant niet kon beschikken over alle in- en uitgaande brieven aan partijen en

– door het voorgaande de schijn van partijdigheid is gewekt.

 

Grief 2

De Commissie heeft niet alle argumenten van appellant in haar uitspraak verwerkt. De Commissie heeft argumenten gezocht die bij een bepaalde conclusie passen en geeft zo blijk van een tunnelvisie. In zijn klacht heeft appellant negen overtredingen van de Nederlandse Reclame Code genoemd. De Commissie heeft echter maar naar zes artikelen van de Nederlandse Reclame Code (NRC) verwezen.

 

Grief 3

De Commissie heeft haar uitspraak in strijd met artikel 7:12 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd, nu:

– zij niet is ingegaan op het feit dat ABN AMRO ook ongevraagd diensten levert,

– zij niet toelicht wat zij onder “algemene strekking” van de slogan of “gemiddelde consument” verstaat,

– een consument in de slogan wel degelijk een concrete toezegging of belofte kan lezen, omdat de slogan in samenhang met commercials wordt gebruikt waarin diensten worden aangeboden en ABN AMRO daarbij de bedoeling heeft te com­municeren dat zij in vergelijking met vroeger aan klanten nu een scala aan mogeheden biedt om relatief snel en zonder veel moeite bankzaken te regelen.

 

Het antwoord in appel

 

Geïntimeerde handhaaft het door haar in eerste aanleg gevoerde verweer.

 

De mondelinge behandeling

 

Partijen lichten hun standpunten nader toe.

 

Het oordeel van het College

 

1.  Grief 1 is gebaseerd op de stelling dat geen eerlijk proces heeft plaats­ge­von­den zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Deze bepaling luidt, voor zover voor deze zaak van belang, als volgt:

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplich­tingen (…) heeft een ieder recht

op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Het beroep door appellant op deze bepaling treft geen doel, reeds omdat een pro­ce­du­re bij de Reclame Code Commissie respectievelijk het College van Beroep

niet strekt tot het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen door een rechterlijke instantie.

 

2.  Wel dienen in een procedure als de onderhavige beginselen van een behoorlijke klachtprocedure in acht te worden genomen, zoals deze zijn uitgewerkt in het Reglement betreffende de Reclame Code Commissie en het College van Beroep. Naar het oordeel van het College heeft de Commissie dit niet miskend. Zij heeft aan appel­lant geen inhou­de­lijke stukken onthouden en heeft hem voldoende geïnfor­meerd over het verloop van de procedure. Voorts heeft de Commissie beide par­tijen ter vergadering gele­gen­heid voor een nadere toelichting gegeven. Dat de spreek­tijd daarbij in enige mate beperkt was, is niet in strijd met het genoemde reglement. Appel­lant heeft zijn klacht (inclusief de brieven met betrekking tot het be­zwaar tegen de beslis­sing van de voorzitter om de klacht niet in behande­ling te nemen) in di­verse brieven uitvoerig en duidelijk verwoord. Die stukken behoren tot het dossier en daarvan heeft de Commissie – en heeft ook het College – kennisgenomen. Niet aannemelijk is geworden dat appellant zijn klacht (overigens) onvol­doen­de heeft kunnen toelichten. Het­geen appel­lant op dit punt voorts nog aan­voert, kan, wat daarvan verder ook moge zijn, niet tot het oordeel leiden dat de Com­mis­sie de bedoelde ­be­gin­selen van een behoorlijke klachtprocedure heeft geschonden.

Grief 1 treft derhalve geen doel.

 

3.  Grief 2 is gebaseerd op de stelling dat de Commissie niet alle argumenten van ap­pel­lant in haar uitspraak heeft verwerkt, nu hij negen overtredingen van de Neder­landse Reclame Code heeft geconstateerd en de Commissie slechts naar zes arti­ke­len van de Nederlandse Reclame Code heeft verwezen, te weten de artikelen 8, 13, 13c, 2, 3 en 5 van de code. De Commissie is evenwel op alle essentiële stel­lin­gen van appellant ingegaan en appellant heeft niet duidelijk gemaakt welke overige specifieke argumenten niet zouden zijn behan­deld. Voorts merkt het College op dat uit het enkele feit dat het aantal “overtredin­gen” niet gelijk opgaat met het aantal door de Com­missie genoemde artikelen van de Ne­derlandse Re­cla­me Code, niet volgt dat bepaalde argumenten buiten beschouwing zijn gelaten. Diverse argumen­ten hebben immers door hun aard en strekking op één en het­zelfde artikel betrek­king. Op grond hiervan treft grief 2 evenmin doel.

 

4.  Grief 3 is gebaseerd op de stelling dat de Commissie in strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb heeft gehandeld. De Algemene wet bestuursrecht is echter niet van toepassing op de behande­ling van klachten door de Commissie en het College. Het College begrijpt grief 3 daarom aldus, dat appellant stelt dat de Com­missie haar be­slissing onvoldoende heeft ge­mo­tiveerd. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

 

5.  Het College is van oordeel dat, indien de woorden “Meer mogelijk maken” en “ABN AMRO” als afzonderlijke slogan worden gebruikt, de combinatie van deze woorden een dusdanig al­ge­me­ne strek­king heeft, dat de ge­mid­delde – dat wil zeg­gen: rede­lijk geïnfor­meer­de, om­zichtige en oplet­ten­de – consument daarin geen concrete toe­zegging of be­lofte zal lezen met betrekking tot bepaalde diensten die ABN AMRO aan in­divi­duele klanten levert. Appellant merkt overigens terecht op dat in de ge­wraak­te com­mercials de slogan ook in sa­men­hang met bepaalde dien­sten wordt ge­bruikt, zoals coaching voor “star­tende on­der­ne­mers” (radiocom­mer­cial) en de “Eurostyle bankreke­ning” (televisie­commercial). Dit kan niet tot een andere be­slissing in deze zaak leiden. In die commercials wordt toe­gelicht welke specifieke voor­delen deze diensten voor de klant hebben. Nu niet is gesteld of ge­ble­ken dat die voordelen niet aan­wezig zijn en evenmin aanne­melijk is dat alle andere banken dezelfde voordelen bieden, kan het gebruik van de woor­den “Meer mogelijk maken”

in samenhang met die diensten niet onjuist of misleidend worden ge­acht. Voor zo­ver appellant daarnaast nog stelt dat de be­slissing van de Commissie niet deug­delijk is ge­mo­tiveerd omdat zij niet is in­ge­gaan op de stelling dat ABN AMRO ook ongevraagd diensten levert of diensten die niet door iedereen worden gewenst, gaat die stelling niet op. De Commissie behoefde op die stelling niet afzonderlijk in te gaan, omdat het bedoelde argument niet tot het oordeel kan leiden dat de slogan onjuist of misleidend is.

 

6.  Niet kan worden gezegd dat ABN AMRO het woord “meer” in de ge­wraakte recla­me-uitingen op dusdanige wijze gebruikt, dat spra­ke is van vergelij­kende reclame in de zin van artikel 13 NRC. ABN AMRO heeft toegelicht dat dit woord uitsluitend is bedoeld om duidelijk te maken dat zij klanten wil helpen “meer mogelijk te maken”, zodat dit woord niet verwijst naar concurrenten of concurrerende producten. Ook overi­gens heeft de Com­missie terecht geoordeeld dat de uiting niet in strijd met de Neder­land­se Re­clame Code is.

 

7.  Het voorgaande brengt het voorgaan­de mee dat als volgt moet worden beslist.

 

De beslissing

 

Het College bevestigt de beslissing van de Commissie.

 

Opnieuw uitspraken zoeken

Op datum, dossiernummer, trefwoord of soort uitspraak of een combinatie van deze zoekopties.

*Verplicht in te vullen velden

Uitgebreid zoeken