Stichting Reclame Code
Voor adverteerders
A A A

De bestreden reclame-uitingen

 

Het betreft een televisiecommercial en een reclame op de website www.kia.nl waarin de Kia Picanto wordt aangeprezen.

 

In de televisiecommercial wordt onder meer gezegd en verschijnt als tekst in beeld: “Vanaf

€ 7.995,-“.

 

In de uiting op de website staat onder meer: “Leverbaar v.a. € 7.995,-“.

 

De bij de klacht overgelegde prints van de uiting op de website zijn in kopie aan deze uitspraak gehecht.

 

De klacht

 

Voor de in de uitingen genoemde vanaf-prijs kan de Kia Picanto niet worden gekocht. Er

komen altijd kosten voor het rijklaar maken etc. bij ter hoogte van circa € 700. Deze kosten worden niet in de uitingen vermeld.

 

Het verweer

 

In de autobranche is het zeer gebruikelijk om aanbiedingen te doen op basis van een vanafprijs zonder de kosten van rijklaar maken te vermelden. De consument is hiervan op de hoogte. Afwijking van dit stramien zou voor verwarring onder consumenten zorgen. Nu wordt vermeld dat het om een vanafprijs gaat, is duidelijk dat geen sprake is van een “rijklaar” tarief.

 

Het oordeel van de Commissie

 

In de onderhavige uitingen wordt een Kia Picanto aangeboden “vanaf € 7.995,-”. Vast is komen te staan dat de genoemde prijs exclusief de kosten rijklaar maken en andere (aflever-) kosten is. In de bestreden uitingen wordt van het bestaan van deze bijkomende kosten geen enkele melding gemaakt. Uit de enkele aanduiding “vanaf” blijkt niet dat dit betrekking heeft op bijkomende afleverkosten waarop de consument geen invloed kan uitoefenen, en niet op bijvoorbeeld meerkosten die verband houden met de door de consument te kiezen uitvoering van de auto.

 

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de Commissie sprake van onduidelijke informatie ten aanzien van de prijs zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder d van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Tevens heeft adverteerder niet voldaan aan de verplichting om essentiële informatie met betrekking tot de prijs te verstrekken als bedoeld in artikel 8.4 aanhef en onder c NRC. Tot deze verplichting dient te worden gerekend het noemen van de volledige (vanaf)prijs van de desbetreffende auto met de bijkomende, niet te vermijden kosten die in ieder geval aan de klant in rekening gebracht zullen worden. Indien deze kosten niet reeds in de genoemde prijs zijn verdisconteerd, dienen zij duidelijk uit de uiting te blijken. Omdat de Commissie voorts van oordeel is dat de gemiddelde consument door de uiting ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen (niet is weersproken dat de bijkomende kosten bedragen circa € 700 bedragen), zijn de uitingen misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Dat de door adverteerder gehanteerde wijze van reclamemaken gebruikelijk is in de autobranche leidt - wat er zij van de juistheid van deze stelling van adverteerder - niet tot een ander oordeel.

 

De beslissing van de Reclame Code Commissie van 27 februari 2012

 

De Commissie acht de bestreden uitingen in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC.

Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

 

 

Het College van Beroep:

 

De grieven

           

Het College vat deze als volgt samen.

 

De beslissing kan geen stand houden voor zover de Commissie heeft geoordeeld dat Kia op haar website geen mededeling doet over het bestaan van bijkomende kosten. Op de homepage van deze website is onder het kopje “Rij belastingvrij” een link opgenomen naar de prijs- en specificatielijst. Ook kan bovenaan de pagina geklikt worden op de tab “Prijzen en specificaties”, waarna de bezoeker terechtkomt op een webpagina waarop opnieuw op verschillende plaatsen een link staat naar genoemde prijs- en specificatielijst. Deze lijst is een PDF-bestand dat bezoekers kun­nen downloaden en printen. Uit dit bestand blijkt duidelijk dat en welke bijko­men­de kosten er zijn. Aldus verschaft Kia op haar website op duidelijke wijze vol­doende essentiële informatie teneinde de consument in staat te stellen een geďn­for­meerde aankoopbeslissing te doen. De gemiddelde consument die op zoek is naar een nieuwe auto zal zich goed willen laten voorlichten door de dealer en ook zelf op zoek gaan naar relevante informatie over de auto die hij van plan is te kopen. De meest aangewezen weg daartoe is de website van Kia. Deze consument zal de prijs- en specificatiepagina niet over het hoofd zien. Ingevolge HvJ EG 12 mei 2011, IER 2011/49 (Konsumentombudsman/Ving) is het toegestaan  in reclame-uitingen gebruik te maken van vanafprijzen, ook indien het een uitnodiging tot aankoop betreft.

 

Het antwoord in appel

 

De grieven zijn gemotiveerd weersproken.

 

De mondelinge behandeling

 

Kia deelt ter vergadering mee dat het beroep ook betrekking heeft op het oordeel van de Commissie met betrekking tot de bestreden televisiecommercial. Kia stelt dat de wijze waarop zij reclame maakt niet afwijkt van de wijze van adverteren door andere automerken. Ook andere autofabrikanten noemen in televisiecommercials vanafprijzen zonder daarin de vaste niet-vermijdbare bijkomende kosten te op te ne­men. Dit is een gangbare wijze van communiceren in de markt. Voor de gemid­delde consu­ment is duidelijk dat de vanafprijs ziet op de prijs van de auto als zo­da­nig en dat daarbij nog diverse extra kosten komen, waaronder de algemene en gebruike­lijke kosten voor rijklaar maken.

 

Het oordeel van het College

 

1. Anders dan uit het beroepschrift lijkt te volgen, heeft het beroep, zoals Kia ter ver­ga­dering heeft meegedeeld, ook betrekking op de be­slis­sing van de Commissie ten aanzien van de te­levisiecommercial. In verband daarmee heeft Kia voorafgaand aan de ver­gadering enkele televisiecommercials aan het College toe­gezonden, die door het secretariaat aan geďnti­meerde zijn doorgezonden en waarop geďntimeerde inhoudelijk heeft gerea­geerd. Het College zal op grond van het voorgaande ook ingaan op het oordeel van de Commissie ten aanzien van de televisie­commercial en op hetgeen Kia daar­tegen in beroep aanvoert.

 

2. Vooropgesteld wordt dat zowel de bestreden televisiecommercial als de website dienen te worden aange­merkt als een uitnodiging tot aankoop als bedoeld in artikel 8.4 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Ingevolge het bepaalde onder c van dit ar­ti­kel dient bij een uitnodiging tot aankoop de volgende essentiële informatie verstrekt te worden: “de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leve­rings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden bere­kend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald”. In deze bepaling is artikel 7 lid 4 van Richtlijn 2005/29/EG geďmplementeerd, welk artikel in het kader van misleidende omissies be­paalt dat (onder meer) de hierboven bedoel­de in­formatie es­sen­tieel is voor zover deze niet reeds uit de context blijkt. Het Col­lege begrijpt op grond van het voorgaande, mede gelet op de “Leidraad voor de tenuit­voer­legging/toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke han­dels­prak­tijken” van de Europese Commissie, dat bij de uitnodiging tot aankoop spra­ke dient te zijn van een “totale prijs”, dat wil zeggen een prijs waarin alle kos­ten zijn inbegrepen voor zover die (1) vooraf kunnen worden be­paald, (2) niet-ver­mijd­baar zijn en (3) niet uit de context van de uiting blijken. Indien niet aan deze eisen is vol­daan, dient te worden beoordeeld of de gemiddelde consument daardoor ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij niet zou hebben genomen indien hij de totaalprijs zou hebben gekend.

 

3. Vaststaat dat de in de bestreden uitin­gen genoemde prijzen telkens exclusief kos­ten rijklaar maken en diverse andere kosten zijn. Het betreft hier, naar het College be­grijpt, in ieder geval voor een groot deel (ongeveer € 700,--) kosten waarop de con­sument geen invloed kan uitoefenen en die altijd verschuldigd zijn, derhalve vaste en onvermijdbare kosten. Kia heeft ter ver­gadering toe­gelicht hoe deze kosten zijn samengesteld. Daarbij is het College gebleken dat Kia deze kosten voor een deel per model naar eigen inzicht op een standaard­bedrag vast­stelt (zoals kosten rijklaar maken en afleverpakket), terwijl daarnaast kennelijk sprake is van kostenelementen die ver­band houden met overheidsregelin­gen (legeskosten en verwijderingsbijdra­ge). Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, gaat het College ervan uit dat van al deze kosten de hoogte be­kend is op het moment dat de reclame-uiting wordt ge­publiceerd. Op grond van hetgeen onder 5.2 is ver­meld, had Kia derhalve deze kos­ten in de prijs dienen op te nemen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

 

4. Dat bijkomende kosten ver­schuldigd zijn, blijkt niet uit de televisiecommer­cial. Ten aan­zien van de bestreden internetuiting ligt dit in zoverre anders dat via klik­ken op hyperlinks uitein­de­lijk valt te achterhalen dat die kosten verschul­digd zijn en hoe hoog zij zijn, maar het College is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat de informatie over de verplichte bijkomende vaste kos­ten vol­doende uit de context van de uiting blijkt. Het feit dat sprake is van een van­af­prijs leidt niet tot een ander oordeel. Terecht heeft de Com­missie geoordeeld dat de en­kele aanduiding “vanaf” niet kan worden opgevat als een verwijzing naar de bij­ko­men­de kosten waarop de con­sument geen invloed kan uitoefenen. In plaats daar­van is evident sprake van een aanduiding die verwijst naar de goed­koopste uit­voe­ring van het desbetreffende aangeprezen model, los van de bijkomende kosten bij de aankoop van dit model.

 

5. Het College onderschrijft het oordeel van de Commissie dat, doordat in de uitingen geen “totale prijzen” staan, de gemiddeld geďnfor­meerde, omzichtige en oplettende con­su­ment ertoe wordt gebracht of kan wor­den gebracht een besluit over een trans­ac­tie te nemen dat hij niet zou hebben ge­nomen indien wel sprake zou zijn geweest van dergelijke prijzen. De vaste en onvermijdbare bijkomende kosten zijn immers aanzienlijk en leiden daar­door tot een belangrijk hoger aankoopbedrag dan de in de uitingen ge­noemde ver­koopprijs. Niet kan wor­den uitgesloten dat bedoelde con­sument, die wellicht op de hoogte is van het feit dat bij de aankoop van een nieu­we auto be­paalde stan­daard kosten verschuldigd zijn, maar niet tevens geacht kan worden te weten dat deze vaste en onvermijdbare kosten voor de aangeprezen auto minimaal ongeveer € 700,-- bedragen, voor een ander model of goedkopere uitvoering zou hebben ge­kozen indien hij vooraf die kos­ten had gekend. Op grond van het voorgaande is sprake van een omissie als be­doeld in artikel 8.3 aanhef en on­der c NRC in verbinding met artikel 8.4 aanhef en onder c NRC. Het College acht de uitingen daardoor oneerlijk in de zin van ar­tikel 7 NRC en zal het oordeel van de Commissie bekrachtigen, met enige wijziging van gronden.

 

6. Naar aanleiding van het uitdrukkelijke beroep door Kia op het feit dat, naar zij vol­doende aannemelijk heeft gemaakt, andere auto­fabrikanten in vergelijkbare uitingen op televisie en op internet eveneens geen “totale prijzen” noemen waarin de vaste en onvermijdbare kosten zijn begrepen, overweegt het College dat blijk­baar spra­ke is van de situa­tie dat binnen de desbetreffende bran­che een on­juis­te opvat­ting bestaat omtrent de verplichtingen die bij de hier genoem­de uitin­gen gelden indien sprake is van een uitnodiging tot aan­koop. Dit kan op grond van het voorgaande niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een toelaat­bare handelspraktijk en evenmin afdoen aan het feit dat Kia dient te worden aanbe­volen om niet meer op een dergelijke wijze re­clame te ma­ken.

 

7. Het Col­le­ge gaat overi­gens ervan uit dat de branche ken­nis neemt van deze uit­spraak en zijn re­clame-uitingen op televisie en op internet vervolgens zal aanpas­sen. Gelet hierop en ten­einde Kia niet onnodig in een ongunstige­re positie te bren­gen dan andere auto­mo­bielfabrikanten, zal het College een termijn bepalen waar­binnen Kia de aanbeveling dient op te volgen, waarbij een termijn van negen maanden het Col­lege redelijk voor­komt. Het College zal vaststellen dat de aan­­beveling bin­nen deze termijn moet zijn opgevolgd.

 

8. Der­halve wordt beslist als volgt.

 

De beslissing van het College van beroep

 

Het  College:

 

Bevestigt de beslissing van de Commissie dat de bestreden uiting in strijd is met het bepaalde in artikel 7 NRC, met wijziging van gronden. Het College beveelt Kia aan om uiter­lijk negen maanden na de datum van deze beslissing niet meer op een derge­lij­ke wijze reclame te maken.

 

Stichting Reclame Code © 2009  |   Privacy Policy  |   Disclaimer
Home  |   Zoeken  |   English  |   RSS  |   Sitemap