a a a
 

Uitspraken

Alle uitspraken van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep vanaf 2007 vindt u hier.

Terug naar zoekresultaten

Opleidingen en cursussen

Dossiernr:

2022/00328 - CVB

Datum:

24-01-2023

Uitspraak:

CVB Aanbeveling Bevestigd (gedeeltelijk) (=Aanbeveling (gedeeltelijk)

Product/dienst:

Opleidingen en cursussen

Motivatie:

Bijzondere Reclamecode

Medium:

Digitale Marketing Communicatie

Het College van Beroep [24 januari 2023]

1.  Procedureverloop

[…]
 

2.  De bestreden uiting

Het betreft de (volgende tekst op de) pagina “Over ons” die ten tijde van het indienen van de klacht op de website van geïntimeerde stond:
“Wij zijn specialist in organisatiecultuur. Door organisaties te ondersteunen met training en advies helpen wij ze om prettiger, productiever en succesvoller samen te werken en tot het beste resultaat te komen. Het is onze missie om andere organisaties te laten floreren. We genieten ervan om te kunnen bijdragen aan een werkcultuur waar iedereen op de top van zijn kunnen presteert én met plezier naar zijn werk gaat.
(…)
Wij hebben jarenlange ervaring. Al ruim 13 jaar ondersteunen wij kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken. Met advies, coaching en training. Van organisatiebrede vraagstukken tot het coachen van kleine teams. In diverse branches, in de for-profit en non-profitsector.
Wij zijn geaccrediteerd. Wij geven anderen graag een kijkje in de keuken. Wij registreren ons voor alle mogelijke accreditaties die beschikbaar zijn wanneer wij een training aanbieden. Vooral wanneer het bij- en nascholing betreft voor in een beroepsregister opgenomen professionals staan wij erop om in het bezit te zijn van passende accreditaties. Onze trainers hebben aantoonbare didactische vaardigheden en voor het trainingsonderwerp relevante ervaring.
Wij delen graag onze kennis. Door middel van boeken, onze kennisbank, interviews met media én geregelde aanwezigheid op beurzen, congressen en informatiebijeenkomsten delen we onze kennis en vaardigheden met een zo groot mogelijke doelgroep.
[Naam] is auteur van het boek [naam boek] en expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer.”

 

3.   Het geschil bij de Commissie

De inleidende klacht luidt in essentie dat:

  1. in de uiting ten onrechte wordt gesuggereerd dat de onderneming van geïntimeerde bestaat uit een kantoor met meerdere medewerkers en beschikt over meerdere trainers,
  2. geïntimeerde in de uiting ten onrechte stelt dat hij al ruim 13 jaar kleine en grote organisaties ondersteunt in team- en cultuurvraagstukken,
  3. geïntimeerde ten onrechte beweert dat hij is geaccrediteerd,
  4. in de uiting ten onrechte de meervoudsvorm ‘boeken’ wordt gebruikt,
  5. geïntimeerde ten onrechte claimt een expert/specialist te zijn.

De voorzitter van de Commissie heeft de klachtonderdelen 1 (voor wat betreft de suggestie van meerdere trainers) en 3 gegrond geacht. Voor het overige heeft de voorzitter de klacht afgewezen. De Commissie heeft deze beslissing, nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen de afwijzing van de klachtonderdelen 2, 4 en 5, bevestigd. De Commissie heeft ten aanzien van klachtonderdeel 2 kennis genomen van het door geïntimeerde overgelegde uittreksel uit het handelsregister van december 2010, waaruit blijkt dat de primaire activiteiten van zijn onderneming bestaan uit “Management-, communicatie- en taaltrainingen voor bedrijven, verenigingen en stichtingen”. Daarnaast acht de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat geïntimeerde reeds in 2009 activiteiten op het gebied van trainingen en advies heeft verricht. Op grond hiervan heeft de Commissie de mededeling dat geïntimeerde ruim 13 jaar kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken ondersteunt juist geacht. Ten aanzien van klachtonderdeel 4 zal het gemiddelde lid van de doelgroep de uiting volgens de Commissie niet zo begrijpen dat geïntimeerde beweert dat hij meer dan één boek heeft geschreven. Ten aanzien van klachtonderdeel 5 stelt de Commissie dat de kwalificaties ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde aanduidingen zijn en dat zij niet de bevoegde of aangewezen instantie is om een algemene norm te bepalen voor het gebruik van deze aanduidingen. Daarnaast is voor het gemiddeld lid van de doelgroep voldoende duidelijk dat geïntimeerde met de aanduidingen “specialist in organisatiecultuur” en “expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer” aangeeft wat zijn specifieke werkterrein is. Geïntimeerde heeft volgens de Commissie in voldoende mate aangetoond dat hij activiteiten (heeft) verricht op de genoemde gebieden van ‘organisatiecultuur’ en ‘angst en angstcultuur op de werkvloer’ en dat zijn dienstverlening voldoet aan de verwachtingen die zijn klanten daarover op basis van de uiting hebben.

 

4.   Zakelijke weergave van de grieven

4.1. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 stelt appellante dat de Commissie ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de mededeling dat geïntimeerde ruim 13 jaar kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken ondersteunt. De inschrijving in de Kamer van Koophandel dateert uit eind 2010. De trainingen die geïntimeerde voor die tijd heeft gegeven, gingen niet over cultuurvraagstukken. In plaats daarvan heeft geïntimeerde zich aanvankelijk vooral beziggehouden met outdoor activiteiten en teamevents. Dat is geen ‘ondersteunen van organisaties in team- en cultuurvraagstukken’. Volgens appellante is geïntimeerde een onbetrouwbare bron van informatie en levert hij geen bewijs van zijn ervaring.

4.2. Ten aanzien van klachtonderdeel 4 stelt appellante dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat het gemiddelde lid van de doelgroep de uiting niet zo zal begrijpen dat geïntimeerde meer dan één boek heeft geschreven. Feit is dat het woord ‘boeken’ wordt gebruikt, voorzien van een hyperlink die leidt naar een enkel boek, namelijk het enige boek dat geïntimeerde heeft geschreven. De uiting staat direct na ‘onze kennis’, welke combinatie suggereert dat hier sprake is van kennis van geïntimeerde die hij deelt in zijn boeken.

4.3. Ten aanzien van klachtonderdeel 5 stelt appellante dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat geïntimeerde de kwalificaties ‘specialist’ en ‘expert’ mag gebruiken voor zijn activiteiten op het gebied van ‘organisatiecultuur’ en ‘angst en angstcultuur op de werkvloer’. Geïntimeerde heeft hiervoor geen enkele opleiding en onvoldoende niveau. Goede evaluaties van klanten zeggen niets, omdat deze klanten niets weten van organisatiecultuur. Daarom huren zij nu juist een ‘expert’ in. Door het woord ‘expert’ zal de gemiddelde klant worden aangetrokken. Het wekt ten aanzien van geïntimeerde ten onrechte de indruk van voldoende scholing en relevante ervaring op het betreffende gebied.

 

5.  Het antwoord in appel

De grieven zijn gemotiveerd weersproken en strekken tot bevestiging van de beslissing van de Commissie. Hierna zal, voor zoveel nodig, op het verweer worden ingegaan.

 

6.   De mondelinge behandeling

Het standpunt van appellante is toegelicht mede aan de hand van pleitnotities die als hier ingelast worden beschouwd. Hierna is het standpunt van geïntimeerde toegelicht eveneens mede aan de hand van pleitnotities die als hier ingelast worden beschouwd.
Op hetgeen verder ter zitting is verklaard zal hierna, voor zoveel nodig, worden ingegaan.

 

7.   Het oordeel van het College

7.1. Appellante stelt dat de mededelingen die zijn bedoeld in de klachtonderdelen 2, 4 en 5 misleidend zijn. Deze mededelingen maken deel uit van een reclame-uiting die specifiek is gericht op organisaties. Van misleiding zal onder meer sprake zijn als de uiting in zijn totaliteit, mede gelet op de context waarin de mededelingen worden gedaan, onjuist of onvolledig is en dit het economische gedrag van het gemiddelde lid van deze zakelijke doelgroep kan beïnvloeden, waardoor men mogelijk onder invloed van onjuiste verwachtingen tot een transactie besluit. Het College oordeelt op basis van dit toetsingskader als volgt.

7.2. Klachtonderdeel 2 betreft in feite de vraag of geïntimeerde in de uiting mag stellen dat hij “ruim 13 jaar” kleine en grote organisaties ondersteunt in team- en cultuurvraagstukken. Dit wordt in de uiting als volgt toegelicht: “Met advies, coaching en training. Van organisatiebrede vraagstukken tot het coachen van kleine teams. In diverse branches, in de for-profit en non-profitsector.” Volgens appellante maakt geïntimeerde niet waar dat hij al gedurende 13 jaar bedoelde werkzaamheden verricht. Geïntimeerde daarentegen stelt gemotiveerd dat hij hiermee al ruim 13 jaar ervaring heeft. Geïntimeerde heeft bij de Commissie een kopie van het inschrijfformulier van zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel overgelegd. Dit formulier is gedateerd 8 december 2010 en noemt als vestigingsdatum van de onderneming 1 december 2010. Als bedrijfsactiviteiten worden onder meer genoemd: “Management-, communicatie-, en taaltrainingen voor bedrijven, verenigingen en stichtingen”. Als belangrijkste bedrijfsactiviteit worden “Trainingen” genoemd.

7.3. Het College ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze inschrijving bij de Kamer van Koophandel niet correspondeert met de werkzaamheden die geïntimeerde vanaf 1 december 2010 daadwerkelijk binnen zijn onderneming heeft verricht. Tot die werkzaamheden rekent het College ook het ondersteunen van organisaties bij team- en cultuurvraagstukken. Geïntimeerde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij steeds ook dergelijke activiteiten binnen zijn onderneming heeft verricht in het kader van de trainingen die hij voor organisaties heeft verzorgd. Uitgaande hiervan bedroeg ten tijde van het indienen van de klacht de relevante ervaring van geïntimeerde (afgerond)12 jaar.

7.4. Geïntimeerde heeft gemotiveerd gesteld dat hij, voorafgaand aan de inschrijving van zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel, in een ander kader al vergelijkbare werkzaamheden verrichtte. De door appellante overgelegde stukken weerspreken dit niet en bevestigen veeleer hetgeen geïntimeerde stelt. Appellante heeft als productie 3 bij het beroepschrift een verklaring van een derde overgelegd waaruit blijkt dat vrijwilligers bij de Vrije Universiteit in het kader van het trainingsbureau Training en Advies Studenten (TAS) trainingen gaven. Hierover staat in deze verklaring: “De gemiddelde vrijwilliger gaf 10-15 trainingen per jaar, meestal in duo’s, gebaseerd op hun affiniteit met het onderwerp en wens om erover te leren. De onderwerpen waren breed: meestal over teamdynamiek in het bestuur, het schrijven van een beleidsplan of invloedsrelaties tussen overleggende partijen.” Het College oordeelt op grond van het voorgaande dat geïntimeerde, die betrokken was bij TAS, de gestelde “ruim 13 jaar” ervaring voldoende waarmaakt. Het College onderschrijft daarmee het oordeel van de Commissie ten aanzien van klachtonderdeel 2.

7.5. Ook de grieven tegen het oordeel over de klachtonderdelen 4 en 5 falen. Geïntimeerde mag zich ‘specialist in organisatiecultuur’ noemen om duidelijk te maken op welk deelgebied hij zich heeft gespecialiseerd, nu dit aansluit bij de hierboven omschreven ervaring. Dat appellante zijn ervaring, opleiding en ‘niveau’ in wetenschappelijk opzicht onvoldoende vindt om te kunnen spreken van een ‘specialist’, is niet leidend in de beoordeling op grond van de Reclamecode. Het gaat om de perceptie van het gemiddelde lid van de doelgroep die met de (aanprijzing van de) dienstverlening van geïntimeerde wordt geconfronteerd. Het College acht het aannemelijk dat die maatman geïntimeerde wegens zijn ervaring wel als een ‘specialist’ zal zien en zijn dienstverlening ook zo zal ervaren. Het College verwijst in dit kader naar de door geïntimeerde overgelegde positieve evaluaties van cursisten. Tevens zal deze maatman geïntimeerde zien als een “expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer”. Deze mededeling staat bij het boek dat geïntimeerde over dit specifieke onderwerp heeft geschreven. Tot slot leest het College in de uiting niet dat geïntimeerde meer dan één boek heeft geschreven. Het woord ’boeken’ wordt slechts genoemd als een mogelijke communicatievorm om kennis te delen. Overigens stelt appellante zelf dat het woord ‘boeken’ is voorzien van een hyperlink die leidt naar het boek dat geïntimeerde heeft geschreven, zodat ook om die reden niet kan worden volgehouden dat geïntimeerde hierover onjuiste informatie verstrekt. Nu de grieven ook in zoverre geen doel treffen, beslist het College als volgt.

 

8.   De beslissing van het College van Beroep

Het College bevestigt de bestreden beslissing voor zover in beroep aan de orde.

 

[Hieronder volgt de beslissing waartegen beroep is ingesteld]

De Reclame Code Commissie [3 november 2022]

De bestreden reclame-uiting

Het betreft de pagina “over ons” op de website van verweerder, voor zover daar staat:
“Wij zijn specialist in organisatiecultuur (…)
Wij hebben jarenlange ervaring. Al ruim 13 jaar ondersteunen wij kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken. Met advies, coaching en training. Van organisatiebrede vraagstukken tot het coachen van kleine teams. In diverse branches, in de for-profit en non-profitsector.
Wij zijn geaccrediteerd. Wij geven anderen graag een kijkje in de keuken. Wij registreren ons voor alle mogelijke accreditaties die beschikbaar zijn wanneer wij een training aanbieden. Vooral wanneer het bij- en nascholing betreft voor in een beroepsregister opgenomen professionals staan wij erop om in het bezit te zijn van passende accreditaties. Onze trainers hebben aantoonbare didactische vaardigheden en voor het trainingsonderwerp relevante ervaring.
Wij delen graag onze kennis. Door middel van boeken, onze kennisbank, interviews met media én geregelde aanwezigheid op beurzen, congressen en informatiebijeenkomsten delen we onze kennis en vaardigheden met een zo groot mogelijke doelgroep.
[naam] is auteur van het boek [naam boek] en expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer.”


De klacht

Klaagster acht de uiting om de volgende redenen – verkort en zakelijk weergegeven – in strijd met artikel 7 en 8 van de Nederlandse Reclame Code (NRC) respectievelijk in strijd met de Bijzondere reclame code b ‘cursussen’.
1)  In de uiting wordt de wij-vorm gebruikt. Het gaat om een eenmanszaak. Nergens staat dat er trainers of docenten in loondienst zijn of worden ingehuurd. Dit “wij” is misleidend omdat het doet voorkomen dat het een kantoor met meerdere medewerkers betreft.
2)  In de uiting stelt verweerder dat hij al ruim 13 jaar kleine en grote organisaties ondersteunt in team- en cultuurvraagstukken. Dit klopt niet. De onderneming staat weliswaar sinds 2010 ingeschreven in het handelsregister, maar in die periode studeerde verweerder nog en heeft hij vele andere functies gehad, die niets te maken hebben met ‘team- en cultuurvraagstukken’. Hooguit is sprake van 13 jaar werkervaring, maar dat is wat anders dan in de uiting staat.
3)  Verweerder beweert ten onrechte dat hij is geaccrediteerd. Verweerder heeft alleen accreditatie bij- en nascholing van de Landelijke Vereniging voor Vertrouwenspersonen (LVV). Dit is geen echte accreditatie en zelfs geen echte certificatie.
4)  Verweerder heeft één populair boek geschreven, en dus geen ‘boeken’. ‘Boeken’ suggereert meer dan één boek. Het is misleidend omdat het doet voorkomen dat verweerder een autoriteit op dit gebied is. Dat hij in deze pretentie slaagt, maakt niet dat verweerder enige objectief erkende ‘credentials’ heeft. De in de uiting genoemde kennisbank bevat verder geen theoretisch verantwoorde informatie en is dus een meningenbank.
5)  Verweerder heeft zichzelf benoemd tot expert/specialist, maar heeft op dit gebied geen enkele opleiding of boven de materie uitstijgende ervaring. Klaagster, die is gepromoveerd op het terrein van organisatiecultuur en auteur is van peer reviewed werk, alsmede een ervaren docent, onderzoeker en adviseur op dit gebied, meent dat de diensten van verweerder niet aansluiten op de gangbare wetenschap. Hoewel ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde aanduidingen zijn, wordt hiermee in de uiting ten onrechte (erkende) deskundigheid gepretendeerd.

 

Het verweer

Verweerder heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de bestreden webpagina niet kan worden aangemerkt als reclame in de zin van artikel 1 NRC, nu deze pagina geen aanprijzing van diensten bevat, maar feitelijke informatie geeft over verweerder. Vervolgens heeft verweerder alle onderdelen van de klacht gemotiveerd weersproken.

 

De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de bestreden webpagina ‘over ons’ onder de definitie van reclame in artikel 1 NRC valt reclame, nu deze pagina verband houdt met de aanprijzing van diensten van verweerder elders op de website en bovendien mededelingen bevat die op zichzelf genomen aanprijzend van aard zijn. De onderdelen van de klacht die in de voorzittersbeslissing zijn aangeduid als ‘klachtonderdeel 1’ (over de beschikbaarheid van meer trainers dan alleen verweerder) en ‘klachtonderdeel 3’ (over de accreditatie van verweerder) zijn gegrond verklaard. De voorzitter heeft deze uitingen misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC geacht.
De klacht is afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de mededeling dat verweerder al ruim 13 jaar kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken ondersteunt (‘klachtonderdeel 2’), de mededeling dat verweerder zijn kennis wil delen door middel van “boeken” en een “kennisbank” (‘klachtonderdeel 4’) en de aanduiding van verweerder als specialist in organisatiecultuur en expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer (‘klachtonderdeel 5’).

 

Het bezwaar tegen de beslissing van de voorzitter  

Klaagster maakt bezwaar tegen de afwijzing door de voorzitter van de klachtonderdelen 2, 4 en 5. Zij licht dit bezwaar als volgt toe, verkort en zakelijk weergegeven.

Klachtonderdeel 2: 13 jaar relevante werkervaring

De voorzitter gaat er ten onrechte van uit dat verweerder vanaf oktober 2009 professioneel bezig is als organisatieadviseur. Verweerder is pas in december 2010 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en op LinkedIn schrijft verweerder dat hij sinds oktober 2010 zijn bedrijf (eenmanszaak) heeft. In 2009 studeerde verweerder nog, zowel BA maatschappijleer als BA journalistiek. Het is niet aannemelijk dat verweerder in die periode voldoende tijd had om voltijds ervaring als organisatieadviseur te vergaren. Evenmin is aannemelijk dat verweerder vanaf 2009 of 2010 daadwerkelijk met het ondersteunen van kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken bezig is geweest. Klaagster acht het ongeloofwaardig dat een pas afgestudeerde hbo-bachelor zonder enig aan organisatiecultuur gerelateerd vakkenpakket op een geloofwaardig niveau als (zelfstandig) organisatieadviseur of consultant aan de slag zal kunnen. Volgens het handelsregister stond de eenmanszaak van verweerder lange tijd alleen ingeschreven met als hoofdactiviteit: ‘schrijven en overige scheppende kunst, meer in het bijzonder reclameteksten’. Verweerder lijkt pas als consultant en trainer aan de slag te zijn gegaan na zijn (niet peer reviewed of inhoudelijk redactioneel beoordeeld) boek te hebben voltooid. Dit strookt met het feit dat verweerder pas in of rond 2017 is gestopt als trainer bij uitzendbureau ZorgWerk. Dat verweerder daar wellicht zaken met organisatiecultuur heeft meegemaakt, betekent volgens klaagster niet dat verweerder echt ’13 jaar ervaring’ heeft.

Klachtonderdeel 4: “Wij delen graag onze kennis. Door middel van boeken (…)”

Het woord ‘boeken’ is in de tekst op de website voorzien van een hyperlink naar het enige boek dat verweerder heeft geschreven. In combinatie met de woorden ‘onze kennis’ is het misleidend te spreken van ‘boeken’. Kennis van anderen in andere boeken is niet ‘onze kennis’, aldus klaagster.

Klachtonderdeel 5: ‘specialist’ en ‘expert’

De vraag wanneer iemand zich bij wijze van reclame-uiting expert of deskundige mag noemen, is een principiële vraag die zich niet leent voor een voorzittersbeslissing. Verweerder heeft niet uitgelegd waaruit zijn expertise bestaat of hoe hij daaraan is gekomen. Hij heeft slechts gewezen op enquêtes onder cursisten en reviews over consultancy en adviezen. Cursisten en klanten zijn echter niet deskundig genoeg om de deskundigheid van verweerder te kunnen beoordelen. Dat verweerder een managementboek heeft geschreven is geen bewijs van zijn expertise, aldus klaagster, nu het vaker voorkomt dat iemand een managementboek schrijft met het enkele doel zich expert te kunnen noemen en hiermee reclame te maken. Klaagster verwijst naar een artikel in Trouw waarin hoogleraar De Vries zich kritisch uitlaat over onderzoeken die verweerder heeft uitgevoerd (“Integriteitsonderzoek in de topsport rammelt: ‘Straks zijn leidinggevenden vogelvrij’”, Thomas Sijtsma, Trouw 15 juni 2022). Met hoogleraar De Vries acht klaagster het een zorgelijke ontwikkeling dat iedereen zich op deze onbeschermde markt stort. Verder verwijst klaagster onder meer naar het vonnis in kort geding van de Rechtbank Amsterdam van 13 mei 2022 (ECLI:NL:RBAMS: 2022:2603) en naar het artikel van Prof.dr.dr. R.W.M. Giard “Dwalende deskundigen: over de persoon achter het deskundigenonderzoek” (Expertise en Recht 2014-3). Klaagster concludeert dat het gegeven dat ‘expert’ niet wettelijk beschermd is, niet betekent dat geen sprake kan zijn van een oneerlijke reclame-uiting. Voor de professionele doelgroep is niet duidelijk dat verweerder zich zonder enige ‘credentials’ als expert aanmerkt. Reviews en klanttevredenheid zeggen hier niet veel.


De reactie van verweerder op het bezwaar

In het algemeen merkt verweerder op dat hij heeft aangeboden de bestreden webpagina geheel aan te passen en te laten controleren door de afdeling Compliance van de Stichting Reclame Code. Tot die tijd is de webpagina offline gehaald. Niettemin handhaaft klaagster haar klacht en breidt deze in bezwaar zelfs uit door aan de Commissie een principieel oordeel te vragen over klaagsters visie op het begrip expert/deskundige dan wel om zelf een objectieve norm voor dit begrip op te stellen. Hierdoor heeft de klacht geen betrekking meer op de vraag of sprake is van misleidende en oneerlijke reclame. Bovendien leent deze principiële vraag zich gezien de aard ervan niet voor een procedure bij de Commissie. Verder voert verweerder aan dat de ‘feiten’ die klaagster in bezwaar aanvoert ter onderbouwing van de (oorspronkelijke) klacht aantoonbaar feitelijke onjuistheden bevatten. Per klachtonderdeel licht verweerder dit als volgt toe, verkort en zakelijk weergegeven.

Klachtonderdeel 2: 13 jaar relevante werkervaring

De (overgelegde) inschrijving bij de Kamer van Koophandel toont aan dat de onderneming van verweerder per 1 december 2010 is ingeschreven met als primaire activiteit het geven van trainingen, en niet als onderneming voor scheppende teksten c.q. reclamebureau, zoals klaagster stelt. Evenmin is juist dat verweerder pas in 2017 is gestart met zijn bedrijfsactiviteiten. De LinkedIn-pagina van verweerder, waarop klaagster deze conclusie (alleen) baseert, betreft geen uitputtende weergave van werkervaring. Verweerder is al in 2006 gestart met het geven van trainingen, eerst op vrijwillige basis of in verenigingsverband en vanaf 2007 in de vorm van het trainingsbureau Training en Advies Studenten onder de vlag van een studentenvakbond aan de Vrije Universiteit. Verweerder heeft er echter voor gekozen om bij het benoemen van het aantal jaren werkervaring te rekenen vanaf 2009, omdat toen het initiatief ontstond om het trainingsbureau te commercialiseren en een onderneming te starten. De in 2009 ondernomen activiteiten vielen nog onder de vlag van het bestaande trainingsbureau. Indien dit noodzakelijk wordt geacht, kan verweerder zijn relevante werkervaring met aanvullende bewijsstukken nader onderbouwen.

Klachtonderdeel 4: boeken

Nu in bezwaar in het geheel geen nieuwe inzichten of feiten zijn aangevoerd, kan de beslissing van de voorzitter op dit punt in stand blijven.

Klachtonderdeel 5: ‘specialist’ en ‘expert’

Er is een veelvoud aan positieve reviews en beoordelingen over verweerder afkomstig van cursisten en deelnemers, tegenover één in de klacht genoemde anonieme negatieve beoordeling. Niet duidelijk is waarom de negatieve beoordeling door een bron van klaagster met een andere maat moet worden gemeten dan de positieve beoordelingen. Zonder dat klaagster inhoudelijk ervan op de hoogte is wie de beoordelaars zijn, concludeert zij dat dit totale leken zijn die onvoldoende kennis van zaken hebben om de cursussen en trainingen op waarde te kunnen beoordelen. Bij verweer is een externe evaluatie overgelegd van een training die is bijgewoond door hoogopgeleide en op hoog niveau functionerende deelnemers (CFO’s, CEO’s, controllers en directeuren van grote Nederlandse en internationale ondernemingen) en één van de overgelegde positieve reviews is afkomstig van de Inspecteur Generaal van de Arbeidsinspectie. Niet kan worden gezegd dat deze personen niet in staat kunnen worden geacht de kwaliteit van de dienstverlening en expertise van verweerder te beoordelen. Bovendien gaat het bij de beoordeling van misleidende reclame om de vraag of het gemiddeld lid van de doelgroep wordt misleid en niet over de “torenhoge verwachtingen van klaagster over de expertise van verweerder”.

In bezwaar gaat klaagster in op de kwalificaties van een gerechtsdeskundige die wordt ingezet bij een rechtszaak, suggereert daarbij dat de norm voor een gerechtsdeskundige ook geldt voor een adviseur en stelt vervolgens dat als deze norm niet wordt gehanteerd, verweerder zich niet als expert en specialist mag profileren. Verweerder wil met het gebruik van de term ‘specialist’ echter niet suggereren dat hij een gerechtsdeskundige is. De term specialist is gebruikt om aan bezoekers van de website duidelijk te maken op welk specifiek terrein verweerder zich in zijn werk richt, zoals ook door de voorzitter is geoordeeld. Verder geldt dat verweerder de term ‘deskundige’ niet gebruikt in de bestreden uiting. Klaagster heeft het thema ‘deskundigheid’ ingebracht. Verweerder is geen gerechtsdeskundige, heeft zich niet zo geprofileerd en is niet als zodanig inzetbaar of benaderbaar.

Verweerder concludeert dat de beslissing van de voorzitter in alle onderdelen in stand kan worden gelaten.

 

De mondelinge behandeling

Partijen hebben hun standpunt mede aan de hand van pleitnota’s toegelicht en hebben vragen van de Commissie beantwoord. Op hetgeen ter zitting aan de orde is geweest wordt voor zoveel nodig in het hiernavolgende teruggekomen.

 

Het oordeel van de Commissie

1. Kern van de klacht – zoals deze in de bezwaarfase voorligt – is dat de uiting misleidend is voor het gemiddeld lid van de professionele doelgroep waarvoor deze is bestemd, doordat volgens klaagster  een te rooskleurige en daardoor onjuiste indruk wordt gewekt over de werkervaring en de expertise en deskundigheid van verweerder.

2. In de eerste plaats betwist klaagster de juistheid van de mededeling “Al ruim 13 jaar ondersteunen wij kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken. Met advies, coaching en training.” Ter onderbouwing van haar standpunt dat (in 2022) geen sprake is van 13 jaar relevante werkervaring verwijst klaagster naar het moment van inschrijving van verweerders bedrijf bij de Kamer van Koophandel (december 2010) en van vermelding van dit bedrijf door verweerder op zijn LinkedIn-pagina (oktober 2010). De Commissie heeft kennis genomen van het door verweerder overgelegde uittreksel uit het handelsregister van december 2010, waaruit blijkt dat de primaire activiteiten van zijn onderneming bestaan uit “Management-, communicatie- en taaltrainingen voor bedrijven, verenigingen en stichtingen”. Daarnaast acht de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder reeds in 2009 activiteiten op het gebied van trainingen en advies heeft verricht. Hieraan doet niet af dat verweerder wellicht in 2009 door studiewerkzaamheden niet ‘voltijds ervaring als organisatieadviseur’ heeft kunnen vergaren, zoals in de klacht wordt gesteld. Verder is het gegeven dat klaagster betwijfelt of de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder in 2009 op een geloofwaardig niveau lag, niet van belang voor de beoordeling van de juistheid van de mededeling dat verweerder ruim 13 jaar kleine en grote organisaties in team- en cultuurvraagstukken ondersteunt.
Op grond van het voorgaande kan dit onderdeel van de klacht niet slagen.

3. Verder acht klaagster de mededeling “Wij delen graag onze kennis. Door middel van boeken,(…)” misleidend omdat verweerder slechts één boek heeft geschreven. De Commissie deelt dit standpunt niet. Het is voldoende duidelijk dat deze mededeling een toelichting is op de wijze waarop verweerder in het algemeen bij trainingen en advisering zijn kennis wil gaan delen. Het gemiddelde lid van de doelgroep zal de uiting niet zo begrijpen dat verweerder in strijd met de waarheid suggereert dat hij meer dan één boek heeft geschreven. Dit klachtonderdeel treft daarom geen doel.

4. Ten slotte stelt de klacht ‘principieel’ aan de orde dat de aanduiding van verweerder als “specialist in organisatiecultuur” en “expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer” misleidende en oneerlijke reclame betreft, nu verweerder geen “objectieve bewijzen van ter zake specifieke deskundigheid” heeft aangedragen. Ook dit klachtonderdeel kan niet slagen. Niet is in geschil dat de kwalificaties ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde aanduidingen zijn. De Commissie acht zich niet de bevoegde of aangewezen instantie om een algemene norm te bepalen voor het gebruik van deze aanduidingen, zoals klaagster in feite betoogt. De Commissie beperkt haar beoordeling tot de vraag of het gebruik van deze aanduidingen in de onderhavige uiting het gemiddeld lid van de (professionele) doelgroep op het verkeerde been zet of kan zetten. Dat is niet het geval. Voor de doelgroep is voldoende duidelijk dat verweerder met de aanduidingen “specialist in organisatiecultuur” en “expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer” aangeeft wat zijn specifieke werkterrein is. Verweerder heeft in voldoende mate aangetoond dat hij activiteiten (heeft) verricht op de genoemde gebieden van ‘organisatiecultuur’ en ‘angst en angstcultuur op de werkvloer’. Dat de kwaliteit van de activiteiten van verweerder niet voldoet aan de criteria die volgens klaagster aan een (gerechts)deskundige moeten worden gesteld, betekent niet dat de uiting misleidend is. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn dienstverlening voldoet aan de verwachtingen die zijn klanten daarover op basis van de uiting hebben.

5. Op grond van het voorgaande wordt als volgt beslist.

 

De beslissing van de Reclame Code Commissie

De Commissie bevestigt de beslissing van de voorzitter voor zover in bezwaar aan de orde en wijst de klacht af.

 

[Hieronder volgt de beslissing waartegen bezwaar is genaakt bij de Reclame Code Commissie]

De voorzitter van de Reclame Code Commissie [1 augustus 2022]

De bestreden uiting

Het betreft de pagina “over ons” op de website van verweerder, voor zover daarop staat:
“Wij zijn specialist in organisatiecultuur (…)
Wij hebben jarenlange ervaring. Al ruim 13 jaar ondersteunen wij kleine en grote organisaties in team en cultuurvraagstukken. Met advies, coaching en training. Van organisatie brede vraagstukken tot het coachen van kleine teams. In diverse branches, in de for-profit en non-profitsector.
Wij zijn geaccrediteerd. Wij geven anderen graag een kijkje in de keuken. Wij registreren ons voor alle mogelijke accreditaties die beschikbaar zijn wanneer wij een training aanbieden. Vooral wanneer het bij -en nascholing betreft voor in een beroepsregister opgenomen professionals staan wij erop om in het bezit te zijn van passende accreditaties. Onze trainers hebben aantoonbare didactische vaardigheden en voor het trainingsonderwerp relevante ervaring.
Wij delen graag onze kennis. Door middel van boeken, onze kennisbank, interviews met media én geregelde aanwezigheid op beurzen, congressen en informatiebijeenkomsten delen we onze kennis en vaardigheden met een zo groot mogelijke doelgroep.
[naam] is auteur van het boek [naam boek] en expert op het gebied van angst en angstcultuur op de werkvloer.”

 

Samenvatting van de klacht

Klaagster acht de uiting om de volgende redenen in strijd met artikel 7 en 8 van de Nederlandse Reclame Code (NRC) respectievelijk in strijd met de Bijzondere reclame code b ‘cursussen’:
1)  In de uiting wordt de wij-vorm gebruikt. Van “wij” is geen sprake. Het gaat om een eenmanszaak. Nergens staat dat er trainers of docenten in loondienst zijn of worden ingehuurd. De “wij” is misleidend omdat het doet voorkomen dat het een kantoor met meerdere medewerkers betreft.
2)  In de uiting stelt verweerder dat hij al ruim 13 jaar kleine en grote organisaties ondersteunt in Team- en cultuurvraagstukken. Dit klopt niet. De onderneming staat weliswaar sinds 2010 ingeschreven in het handelsregister, maar in die periode studeerde verweerder nog en heeft hij vele andere functies gehad, die niets te maken hebben met ‘team- en cultuurvraagstukken’. Hooguit is sprake van 13 jaar werkervaring, maar dat is wat anders dan in de uiting staat.
3)  Verweerder beweert te zijn geaccrediteerd. Verweerder heeft alleen accreditatie bij- en nascholing van de Landelijke Vereniging voor Vertrouwenspersonen (LVV). Dit is geen echte accreditatie en zelfs geen echte certificatie. Deze accreditatie ontvangt een docent/trainer na betaling en het invullen van een formulier. KIWA verzorgt voor de LVV de ‘accreditatie’. KIWA is geaccrediteerd door de Raad voor accreditaties voor certificatie met betrekking tot ISO9001. KIWA doet niets aan inhoudelijke kwaliteitscontrole. De ‘accreditatie’ van de LVV staat hier buiten en is gereguleerd met een eigen reglement, dat inhoudelijk nog minder voorstelt dan ISO9001. Ook hier geldt dat KIWA alleen op formaliteiten let, en niet kan controleren of de opleider wel deskundig is. Auditors van KIWA kunnen dat niet en zij hebben geen inhoudsdeskundigen in huis. Inhoudelijk zijn er geen ‘auspiciën’, want niemand controleert of hetgeen wordt geleerd, correct en verantwoord is.
4)  Verweerder heeft één populair boek geschreven, en dus geen ‘boeken’. ‘Boeken’ suggereert meer dan één boek. Het is misleidend omdat het doet voorkomen dat verweerder een autoriteit op dit gebied is. Dat hij in deze pretentie slaagt, maakt niet dat verweerder enige objectief erkende ‘credentials’ heeft. De in de uiting genoemde kennisbank bevat verder geen theoretisch verantwoorde informatie en is dus een meningenbank.
5)  Verweerder heeft zichzelf benoemd tot expert/specialist, maar heeft op dit gebied geen enkele opleiding of boven de materie uitstijgende ervaring. Klaagster, die is gepromoveerd op het terrein van organisatiecultuur en auteur is van peer reviewed werk, alsmede een ervaren docent, onderzoeker en adviseur op dit gebied, meent dat de diensten van verweerder niet aansluiten op de gangbare wetenschap. Klaagster vernam van een ervaren psycholoog/vertrouwenspersoon/bestuurslid LVV dat de training die hij van verweerder ontving oppervlakkig en onjuist was. Hoewel ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde aanduidingen zijn, wordt hiermee ten onrechte (erkende) deskundigheid gepretendeerd.

 

Samenvatting van het verweer

De bestreden webpagina kan niet worden aangemerkt als reclame in de zin van artikel 1 NRC. De uiting is een ‘over ons’ pagina die geen aanprijzing van diensten bevat, maar feitelijke informatie geeft over verweerder. De pagina toont een overzicht en bevat elementen die behoren bij een missiestatement. Ten aanzien van de afzonderlijke klachtonderdelen stelt verweerder het volgende.

1)  In de tekst wordt het woord ‘wij’ gebruikt omdat klanten met meer personen te maken krijgen dan alleen verweerder zelf. Zo fungeren twee assistenten als eerste contactpersoon. Zij staan ook onder het tabje ‘contact’ op de website.
2)  Verweerder is in 2009 begonnen met zijn eigen onderneming en is in 2010 een eenmanszaak gestart waarbinnen hij trainingen en advies geeft. Dit is de reden dat verweerder op zijn website heeft gekozen om te spreken over 13 jaar relevante werkervaring. Voorafgaand aan deze periode gaf verweerder echter al met grote regelmaat trainingen over teamdynamiek/samenwerking in andere verbanden. De uiting is een juiste weergave van de feiten.
3)  De mededeling ‘wij zijn geaccrediteerd’ is een vetgedrukte kop, die direct daarna wordt uitgelegd in de aansluitende tekst waarin helder wordt gespecificeerd waar de accreditatie op ziet, namelijk op trainingen waarop dit van toepassing is. Daar waar dat het geval is, zijn de trainingen geaccrediteerd. Nergens wordt gesuggereerd dat alles wat verweerder doet een accreditatie heeft. De klant kan op de pagina van de training zien of voor de training sprake is van accreditatie of van accreditatiepunten en voor welke functie.
4)  Het klopt dat verweerder één boek heeft geschreven en niet meerdere. Het is nadrukkelijk niet de intentie dat de boodschap van de tekst is: “ik heb meerdere boeken geschreven”. Dit staat er ook niet. Deze uiting geeft uitsluitend weer welke activiteiten verweerder onderneemt op het gebied van het delen van kennis, buiten de aangeboden diensten op de website. Lezers van de tekst worden door het gebruik van het woord ‘boeken’ derhalve niet misleid. Het gaat om voorbeelden van kennisdeling.
5)  Klaagster geeft zelf aan dat ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde titels en aanduidingen zijn. Klaagster richt zich in haar beoordeling over expertise uitsluitend op opleidingen en diploma’s. Men kan echter ook expertise en kennis opdoen uit de (werk)ervaring na het afronden van de studietijd. Klaagster suggereert dat potentiële cursisten worden misleid, omdat zij een training aanschaffen door iemand die zijn kwaliteit en deskundigheid overdrijft. Dit strookt niet met de ervaringen van de cursisten die juist zeer tevreden zijn over de kennis en expertise van verweerder, zoals blijkt uit de overgelegde evaluaties en uit meerdere positieve reviews op de website van verweerder.

 

Het oordeel van de voorzitter

1)  De klacht is gericht tegen de pagina “over ons” op de website van verweerder. Anders dan verweerder is de voorzitter van oordeel dat deze pagina als een reclame-uiting kan worden aangemerkt. Los van het feit dat deze pagina onmiskenbaar verband houdt met de aanprijzing van de diensten van verweerder elders op de website, geldt dat ook deze pagina mededelingen bevat die op zichzelf genomen duidelijk aanprijzend van aard zijn. Op deze pagina prijst verweerder zichzelf immers aan als “specialist in organisatiecultuur” met als toevoeging: “Door organisaties te ondersteunen met training en advies helpen wij ze om prettiger, productiever en succesvoller samen te werken en tot het beste resultaat te komen.” Daarbij stelt verweerder in de uiting dat hij “concrete resultaten” levert die door klanten worden gewaardeerd, waarbij verweerder verwijst naar jarenlange ervaring en accreditaties. Nu de bestreden uiting valt onder de definitie van reclame in artikel 1 NRC, is de voorzitter bevoegd om daarover te oordelen.

2)  De belangrijkste grondslag van de klacht is dat sprake is van misleidende reclame doordat in de bestreden uiting mededelingen staan die volgens klaagster onjuist of onvoldoende accuraat zijn. Beoordeeld dient te worden of het gemiddelde lid van de doelgroep waarop de uiting zich richt door de uiting wordt misleid. Ten aanzien van de doelgroep van de uiting overweegt de voorzitter als volgt. De uiting als zodanig richt zich blijkens de onder 1) weergegeven citaten specifiek op organisaties. Van misleiding zal onder meer sprake zijn als de uiting onjuist of onvolledig is en dit het economische gedrag van het gemiddelde lid van deze professionele doelgroep kan beïnvloeden, waardoor deze maatman onder invloed van onjuiste verwachtingen tot een transactie besluit, zoals in feite de strekking van de klacht is. Een onjuiste of onvolledige mededeling kan echter pas als misleidend worden gekwalificeerd, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de aankoopbeslissing van het gemiddelde lid van de hiervoor omschreven doelgroep. In dat geval is immers aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid redelijkerwijs het economische gedrag van deze maatman kan beïnvloeden. Uitgaande van dit toetsingskader oordeelt de voorzitter als volgt.

Ten aanzien van klachtonderdeel 1

3)  Het feit dat in de uiting de “wij”-vorm wordt gebruikt voor een eenmanszaak, kan niet tot het oordeel leiden dat de uiting onjuist of misleidend is. Aangenomen moet worden dat deze aanduiding verwijst naar de onderneming als zodanig, ook indien het een eenmanszaak betreft. Het ligt niet voor de hand dat het gemiddelde lid van de professionele doelgroep zal menen dat de wij-vorm specifiek verwijst naar een onderneming waarin altijd meerdere personen werkzaam zijn én dat deze maatman alleen al daardoor tot een transactie zal besluiten. Overigens heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat men bij contact met de onderneming met diverse personen te maken kan krijgen, namelijk twee assistenten die namens de onderneming handelen.

4)  Daarentegen stelt klaagster wel terecht dat de uiting de indruk wekt dat er meerdere trainers zijn. De zin “Onze trainers hebben aantoonbare didactische vaardigheden en (…) relevante ervaring” kan in feite niet anders worden begrepen dan dat er meerdere trainers zijn die naast en/of ten behoeve van verweerder trainingen verzorgen. Dat, zoals verweerder stelt, uit de informatie over de trainingen zelf valt op te maken dat verweerder bij elke training zelf de trainer is, verschaft niet de noodzakelijke duidelijkheid. Men dient dan immers op elke afzonderlijke training te klikken en de trainingen vervolgens met elkaar te vergelijken om te zien wie als trainer wordt genoemd. Op dit punt bevat de uiting onduidelijke informatie over de hoedanigheid en kenmerken van verweerder als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder f NRC. Voorts is de voorzitter van oordeel dat het gemiddelde lid van de doelgroep hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. De hier bedoelde mededeling wekt immers bepaalde verwachtingen over beschikbare trainers. Om die reden is de uiting op dit punt misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2

5)  De voorzitter begrijpt dat de onderneming van verweerder sinds 2010 ingeschreven staat in het handelsregister. Verweerder stelt dat hij in 2009 een eenmanszaak is gestart waarbinnen hij trainingen en advies geeft. Dit is de reden dat verweerder op zijn website heeft gekozen om te spreken over 13 jaar relevante werkervaring. Klaagster stelt dat verweerder in die periode nog studeerde en dat hij vele andere functies heeft gehad, die niets te maken hebben met team- en cultuurvraagstukken. Dat sluit echter niet uit dat verweerder, zoals hij gemotiveerd stelt, in deze periode ook activiteiten heeft verricht op het gebied van trainingen en advies. Dit alles tegen elkaar afwegend oordeelt de voorzitter dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij al ruim 13 jaar kleine en grote organisaties in team en cultuurvraagstukken ondersteunt. Overigens geldt dat een kleine afwijking van de gestelde ervaring onvoldoende is om te oordelen dat dit het gemiddelde lid van de doelgroep al tot een onjuiste transactie zal bewegen (vgl. dossier 2021/00035/A).

Ten aanzien van klachtonderdeel 3

6)  Dit klachtonderdeel ziet op de mededelingen van verweerder over accreditatie. Klaagster legt deze mededelingen zo uit, dat verweerder stelt zelf als zodanig te zijn geaccrediteerd. De voorzitter begrijpt uit het verweer dat dit niet de intentie van verweerder is, nu hij stelt dat de accreditatie ziet op bepaalde trainingen. Daar waar dat het geval is, zijn de trainingen volgens verweerder geaccrediteerd, hetgeen blijkt uit de informatie over de trainingen. Deze bedoeling blijkt echter onvoldoende duidelijk uit de bestreden uiting. Deze begint immers met de woorden “Wij zijn geaccrediteerd”. Dat de tekst die daarna volgt is bedoeld als een nuancering van deze mededeling, acht de voorzitter voor het gemiddelde lid van de doelgroep onvoldoende helder. Nu aangenomen moet worden dat deze maatman de uiting daardoor zo zal uitleggen dat verweerder claimt dat zowel hij dan wel zijn onderneming én daarnaast ook zijn trainingen geaccrediteerd zijn, is de uiting onvoldoende accuraat over de kwalificaties van verweerder als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder f NRC. Voorts is de voorzitter van oordeel dat het gemiddelde lid van de doelgroep hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Ten aanzien van klachtonderdeel 4

7)  In de uiting staat dat verweerder zijn kennis wil delen “door middel van boeken” en een “kennisbank”. Hierbij gaat het, zoals verweerder terecht stelt, om het uitspreken van een intentie en een toelichting over de wijze waarop deze intentie vorm krijgt. Deze mededeling zal door het gemiddelde van de doelgroep niet zo strikt worden begrepen dat verweerder in feite claimt dat hij meerdere boeken heeft geschreven in plaats van één boek. Dat klaagster daarnaast van mening is dat de genoemde kennisbank van onvoldoende niveau is, neemt niet weg dat verweerder mag vermelden dat hij deze kennisbank gebruikt om kennis te delen. Dit klachtonderdeel treft geen doel.

Ten aanzien van klachtonderdeel 5

8)  Dit klachtonderdeel ziet in de eerste plaats op de mededeling dat verweerder ‘specialist’ is in organisatiecultuur en ‘expert’ op het gebied van angst en angst-cultuur op de werkvloer. Volgens klaagster, die zichzelf deskundig acht op dit gebied, maakt verweerder deze kwalificaties niet waar. Verweerder heeft dit voldoende weerlegd. Daarbij is van belang dat kwalificaties als ‘specialist’ en ‘expert’ geen beschermde aanduidingen zijn en dat de invulling van deze begrippen in zekere zin subjectief is, waarbij enige mate van overdrijving voor de hand ligt. Het gemiddelde lid van de professionele doelgroep zal begrijpen dat verweerder zichzelf als specialist en expert op de genoemde gebieden aanmerkt om aan te duiden wat zijn specifieke werkterrein is. Voor zover deze kwalificaties daarbij bepaalde verwachtingen wekken over het niveau van de diensten dat verweerder aanbiedt, heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat klanten hierover tevreden zijn.
Dat deze dienstverlening niet voldoet aan de maatstaven die klaagster wenst, brengt niet mee dat de uiting misleidend is. Blijkbaar zijn dit andere maatstaven dan die van het gemiddelde lid van de doelgroep nu uit het voorgaande volgt dat wordt voldaan aan de verwachtingen die bestreden reclame-uiting bij de doelgroep wekt. Ook dit klachtonderdeel faalt.

Conclusie

9)  De klachtonderdelen falen met uitzondering van klachtonderdelen 1 (deels) en 3, die tot het oordeel leiden dat de uiting in strijd is met artikel 7 NRC ten aanzien van de beschikbare trainers respectievelijk de beweerde accreditatie van verweerder. Of de uiting daarnaast in strijd is met Bijzondere Reclame b. Cursussen, waarnaar klaagster als aanvullende grondslag van de klacht verwijst, kan in het midden blijven. Deze bijzondere reclamecode heeft geen zelfstandige betekenis meer na de invoering van de regeling over misleidende reclame in de NRC waarin de bepalingen van Richtlijn 2005/29/EG zijn geïmplementeerd.
De voorzitter beslist op grond van het voorgaande als volgt.

 

De beslissing van de voorzitter

Op grond van hetgeen is vermeld onder 4) ten aanzien van klachtonderdeel 1 en hetgeen onder 6) is vermeld ten aanzien van klachtonderdeel 3, acht de voorzitter de daar omschreven mededelingen in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. De voorzitter beveelt verweerder in zoverre aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.
Voor het overige wijst de voorzitter de klacht af.

Opnieuw uitspraken zoeken

Op datum, dossiernummer, trefwoord of soort uitspraak of een combinatie van deze zoekopties.

*Verplicht in te vullen velden

Uitgebreid zoeken